Acer pseudoplatanus ‘Atropurpureum’ (een gewone esdoorn) op het Rembrandtplein

Raar eigenlijk, ik had me nog nooit afgevraagd waarom een esdoorn ‘esdoorn’ heet. Toen ik voor dit artikel informatie opzocht, vond ik het in het prachtige boek ‘Loofbomen in Nederland en Vlaanderen’. De auteur, Leo Goudzwaard, beschrijft het als volgt: “De Nederlandse naam ‘esdoorn’ verdient wel uitleg, want de boom lijkt niet op een es en heeft ook geen doorns. De uitgang -doorn is afgeleid van het Germaanse ‘teer’, dat zowel boom als hout betekent. Zo is ook het Engelse ‘tree’ van ‘teer’ afgeleid. ‘Es’ is een oud Germaans woord voor ‘speer’ en ook voor ‘scherp’. De esdoorn is dus de boom met speren-hout, uit de tijd dat bomen genoemd werden naar de houttoepassing.
De wetenschappelijke naam bestaat uit drie delen, Acer pseudoplatanus ‘Atropurpureum’. De eerste naam is de geslachtsnaam Acer = esdoorn. De tweede naam is de soortnaam namelijk pseudoplatanus. Dit betekent ‘lijkt op de plataan’. De derde naam staat tussen enkele aanhalingstekens, om aan te geven dat het een cultuurvariëteit is. Hier betekent ‘Atropurpureum’: purpureum = paars en atro = donker, dus donkerpaars.
De boom op Rembrandtplein is een volwassen, sterke boom. Hij is geplant in 1977 en kan wel 20 m hoog worden. De boom op het Rembrandtplein staat jammer genoeg ingeklemd tussen een beuk en eiken. Dat is jammer, want hij komt beter tot zijn recht als hij de ruimt krijgt.

Acer pseudoplatanus ‘Atropurpureum’ (gewone esdoorn) (Foto: Marinus Rouweler)

Bijzonderheden:

  • Het geslacht Acer is zeer divers met meer dan 130 soorten bomen van verschillende grootte en eigenschappen.
  • De cultuurvariant ‘Atropurpureum werd op de kwekerij Späth in Berlijn geteeld en in 1883 op de markt gebracht.
  • Franz Ludwig Späth, eigenaar van ’s werelds grootste en oudste boomkwekerij (Späth kwekerij, opgericht in 1720),begon in 1879 een arboretum. Die bomentuin is nu onderdeel van de Humboldt universiteit
  • De geslachtsnaam Acer werd door Linnaeus vastgelegd in Species Plantarium (1753) en wordt sindsdien algemeen gebruikt.
  • In de winter is de boom goed te herkennen aan de grote (± 1 cm), gezwollen, glanzende knoppen die tegenover elkaar aan de takken staan.
  • Het blad is aan de bovenkant donkergroen en aan de onderkant paars, de naam ‘Atropurpureum’ zinspeelt daarop.
  • Het heeft de kenmerkende handvormig gelobde blad dat op de Canadese vlag staat.
  • Het Engelse woord voor ‘esdoorn’ is maple.
  • Eind april, begin mei, nadat de bladeren zijn uitgelopen, bloeit de boom
  • Aan het eind van de zomer hangen de roodgetinte vruchtjes in trosjes aan de boom. De vruchtjes bestaan uit twee gevleugelde’ helften. Deze zijn aan elkaar verbonden waarbij de hoek die de beide vleugels met elkaar ‘maken, kenmerkend is voor iedere soort.
  • De vruchtjes worden propellertjes genoemd. De vleugeltjes verminderen de valsnelheid, zodat ze door de wind ver van de moederboom verspreid kunnen worden.
Vruchtjes van Acer pseudoplatanus ‘Atropurpureum’ (gewone esdoorn) (Foto: Marinus Rouweler)
  • De boom wortelt diep; hij staat daardoor stevig en is niet gevoelig voor sterke wind.
  • De boom heeft een positief effect op de biodiversiteit. Hij is een belangrijke drachtplant voor de honingbij (Apis mellifera). Daarnaast leven op esdoorns zeer veel bladluizen die zowel rechtstreeks als onrechtstreeks (honingdauw) een voedselbron vormen voor insecten. Op de blaadjes kunnen allerlei gallen voorkomen, waaronder mijtgallen die veroorzaakt worden door Aceria macrorrhyncha cephalonea, zoals op de foto te zien is.
    De goudvink is een liefhebber van de vruchtjes.
Gal van Aceria macrorrhyncha cephalonea (Foto: Marinus Rouweler)
  • Het hout is waardevol en behalve voor meubels en vloeren ook geschikt om er muziekinstrumenten van te maken, zoals violen.

Locatie:

de Acer pseudoplatanus ‘Atropurpureum’ (een gewone esdoorn) staat op het Rembrandtplein ter hoogte van Rembrandtplein 1
Coördinaten: 52.359157683746,6.464618009834

Bronnen:
Goudzwaard, Leo, ‘Loofbomen in Nederland en Vlaanderen, Zeist, KNNV Uitgeverij
Johnson, J., “Hel Bomenboek”, Wageningon, Zomer&Keuning Boeken B.V., 1974
Stelt van der, Hans, De bomen in Artis en Hortus, De oude stad, Amsterdam, 1989
Herder de,Wouter, Veen van,Claerisse, Bomen in de winter, Zomer en Keuning, Ede, 980
Flora van Nederland.nl
De Bomenstichting

Liriodendron tulipifera (tulpenboom) aan de Raijmakersstraat

Meeer dan 1000 keer ben ik er op de fiets langs gereden, zonder hem opgemerkt te hebben: de Liriodendron tulipifera (tulpenboom) aan de Raijmakerstraat. Je kunt de boom ook zien van de parallelweg.
Marinus Rouweler wees me erop en stuurde me prachtige foto’s. Toen ik bij de boom stond liep er iemand langs en riep mij toe: ‘mooi hè’. Inderdaad een geweldig mooie boom met prachtige ‘tulpachtige’ bloemen. Tulpen vind ik mooi, maar deze bloemen zijn fantastisch. Ik zal voortaan naar de boom kijken en op het verkeer moeten letten. Als dat maar goed gaat.

Liriodendron tulipifera (tulpenboom) (Foto: Marinus Rouweler)

Bijzonderheden:

  • Deze bom is in 1980 geplant.
  • Als de Liriodendron tulipifera in juni volledig in blad zit, bloeit de boom met ± 5 cm grote gele, iets oranje aangelopen bloemen die recht op het einde van een twijg staan.
  • Soms wordt de Magnolia ‘tulpenboom’ genoemd. Het is inderdaad zo dat de bloemen van een aantal magnolia’s wel iets weg hebben van de vorm van de tulp. Er is echter maar één tulpenboom en dat is de Liriodendron tulipifera. Deze boom behoort tot dezelfde familie als de magnolia maar bloeit later. De Liriodendron tulipifera kan tientallen meters hoog worden en wordt daarmee fors groter dan de meeste Magnolia’s.
  • De bloemen vertonen zich als de bladeren er al zijn, wat bij de magnolia’s niet het geval is.
  • .De 3 buitenste bloembladen zijn teruggeslagen.
  • Omdat in de tulpenboom niet alle bloemen tegelijk bloeien, blijven er lang, soms wel tot in juli, nieuwe te zien.
  • De bloemen worden veel bezocht door bijen.

Locatie: aan de Raijmakersstraat aan de kant van de Parallelweg
Coördinaten: 52.362543826308,6.466067421072

Bronnen:
Zie De Tulpenboom (Liriodendron tulipifera) op de gemeentelijke begraafplaats Hellendoorn

Fraxinus excelsior (es) op het Rembrandtplein in Nijverdal

De es komt in Nederland (nog) algemeen voor. Het is een prachtige boom en dat geldt in het bijzonder voor de Fraxinus excelsior (es) op het Rembrandtplein. Deze boom is in 1937 geplant. Hij heeft dus een respectabele leeftijd bereikt, maar het kan ouder. In Dwarsgracht staat een tweehonderdjarige es.
Het geslacht Fraxinus behoort tot de Oleaceae, de olijffamilie. Deze bestaat uit 24 geslachten waaronder forsythia, jasmijn en liguster. Het geslacht fraxinus is weer verdeeld in 49 soorten. De Fraxinus excelsior (es) is als enige hier inheems.
De naam es is afgeleid van het Germaanse asker, dat zowel scherp als speer betekent. Volgens het Germaanse scheppingsverhaal speelt de es een cruciale rol: de eerste mensen zijn geschapen uit de aangespoelde boomstammen Askr en Embla, dat zijn de es en de iep. Uit de es werd de man geschapen en uit de iep de vrouw.

Fraxinus excelsior (es) op het Rembrandtplein (Foto: Marinus Rouweler)

Bijzonderheden:

  • De Fraxinus excelsior (es) groeit het liefst op voedzame, vochtige grond. Hij kan 40 meter hoog worden. De naam excelsior betekent hoger of verhevener, wat er op duidt dat deze boom boven andere bomen uitsteekt. De bosgrond van de Sallandse Heuvelrug is te droog en te arm voor deze boomsoort. In onze gemeente kun je hem dus vooral aantreffen in parken en op pleinen. De Fraxinus excelsior (es) op het Rembrandtplein is een prachtexemplaar.
  • De es is een bijzondere boom met een onopvallende bloei. Dat wil overigens niet zeggen dat deze niet de moeite van het bekijken waard is, De bloeitijd is in april vóór het uitkomen van de bladeren. De mannelijke bloemen lijken in het begin op een kleine glanzende paarse bloemkool. Als deze bloemen opengaan, verspreiden zij een enorm hoeveelheid stuifmeel. Gelukkig voor de mensen die allergisch zijn voor pollen veroorzaken deze pollen zo goed als geen hooikoorts.
    De vrouwelijke bloemen hebben stampers met donkerrode stempels. Deze veranderen na bestuiving en bevruchting in langwerpige nootvruchtjes. De zachtgroene nootvruchtjes hangen nu (begin juni) al aan de boom. Wanneer ze rijp zijn, kleuren ze bruingeel.
Een trosje nootvruchtjes Fraxinus excelsior (es) (Foto: Marinus Rouweler)
  • Na gebloeid te hebben komt de es als een van de laatste bomen in blad. Dat blad bestaat uit een platte hoofdnerf met 9-13 deelblaadjes. Ze zijn langwerpig, en de bladrand is gezaagd. De deelblaadjes zijn tussen de 5 à 10 cm lang. De bovenkant van de bladeren is donkergroen en de onderkant is lichtgroen. In het najaar laat de boom zijn bladeren betrekkelijk vroeg vallen. Het eerst vallen de deelblaadjes van het samengestelde blad. De steel blijft wat langer zitten.
Blad Fraxinus excelsior (es) (Foto: Marinus Rouweler)
  • ’s Winters hangen in sommige essen bruine gevleugelde nootvruchtjes in grote trossen aan de bomen. Die vruchtjes vallen de hele winter van de takken. Ze zijn zodanig gedraaid dat ze door de wind tientallen meters ver verspreid kunnen worden. In de vrucht zit bovenin één zaadje. Het kan jaren duren voordat de zaden ontkiemen.
Een ‘gedraaid’ nootvruchtje van Fraxinus excelsior (es) (Foto: Marinus Rouweler)
  • De es die de zaden voortbrengt is een vrouwelijke boom, Hieraan kan je in de winter de vrouwelijke van de mannelijke boom onderscheiden. Als mannelijke en vrouwelijke bloemen ieder aan aparte bomen groeien, noemt men dat tweehuizig. Als er, zoals bij de eik, vrouwelijke en mannelijke bloemen aan één boom groeien noemen we dat eenhuizig (alles in één huis). Bij de es is het ingewikkelder. Sommige bomen zijn mannelijk, andere vrouwelijk. Dus tweehuizig, zou je dan zeggen. Maar let op: we vinden soms mannelijke essen die aan sommige takken ook vrouwelijke bloemen hebben. En omgekeerd. Die zou je dus eenhuizig moeten noemen. Het liefdesleven van een gewone es is zo gewoon nog niet.
  • Je zou de es kunnen herkennen aan het feit dat de takken schuin omhoog staan en dat de stam grijs getint is en gegroefd. Een andere opvallende eigenschap van de boom is de doorzichtige kroon, waardoor onder de boom van allerlei struiken en planten kunnen groeien. De boom is echter vooral goed te onderscheiden door de gitzwarte, viltige knoppen. Er zijn geen andere inheemse bomen met zulke zwarte knoppen.
Knoppen Fraxinus excelsior (es)
  • Het hout van de es droogt gemakkelijk en wordt taai en buigzaam. Het leent zich daarom goed voor gymnastiektoestellen, hockeysticks. honkbalstelen en cricketslaghout. Daarnaast worden van essenhout o.a. onderdelen van gereedschappen, bezemstelen, meubels, ladders en fineer gemaakt.
  • De es heeft te maken met een aantal ziekten en plagen, waarvan er in Europa één uitspringt: de essentaksterfte. Het wordt veroorzaakt door de schimmel Hymenoscyphus pseudoalbidus met de onschuldige Nederlandse naam ‘vals vlieskelkje’. De schimmel tast aanvankelijk de bladeren en de takken aan, maar uiteindelijk de hele boom. Er is nog geen remedie tegen deze boomziekte, met gevolg dat overal in Europa essen aan die ziekte bezwijken. Ook in onze gemeente zijn bomen waar nodig gekapt. Vooral als ze een gevaar vormen voor de omgeving en het verkeer. Onderzoekers van Wageningen University & Research zijn inmiddels aan het bouwen van nieuwe generaties essen die minder gevoelig zijn voor de essentaksterfte. Dat is van belang voor de instandhouding van 100 planten en dieren die min of meer van deze inheemse boom afhankelijk zijn.
Es, aangetast door essentaksterfte aan de Nicolaas Beetsstraat toegang Blokkenpark
De doorzichtige kroon van de Fraxinus excelsior (es) op het Rembrandtplein

Locatie: Op het Rembrandtplein in Nijverdal tegenover Rembrandplein nr. 21
Coördinaten: 52.359609, 6.466558

Bronnen:
Flora van Nederland.nl
Goudzwaard, Leo, ‘Loofbomen in Nederland en Vlaanderen, Zeist, KNNV Uitgeverij
Bakker, M., ‘Bomen leven’, Amsterdam IVN
10 vragen over de essentaksterfte

Sambucus nigra (gewone vlier) aan de Nicolaas Beestsstraat

De gewone vlier is voor de gemeente Hellendoorn een bijzondere boom/struik; hij staat namelijk als boom in het wapen van onze gemeente.

Toen de wapenkundigen Jhr. Mr. Victor de Stuers en F.A. Hoefer eind 19e eeuw in opdracht van de gemeente Hellendoorn een wapen mochten ontwerpen, kwamen ze tot het volgende voorstel: een veld van azuur (hemelsblauw) met ongekleurde strepen beladen met een vlierboom en klimmend hert van goud(geel) op een terrasse van sinopel (groen). (A. Ponsteen: Het kerkdorp Hellendoorn in vroeger eeuwen.)

Sambucus nigra (gewone vlier) (Foto: Marinus Rouweler)

De Raad van Hellendoorn gaf op 20 juli 1898 zijn goedkeuring aan het voorstel en de tekening, vandaar dat sinds die tijd de gewone vlier het wapen “siert”. De vlierboom werd niet zomaar gekozen. Volgens enkele naamkundigen uit die tijd was de naam Hellendoorn namelijk afgeleid van Holunder, dat Vlierboom betekent. Dat niet iedereen de deskundigen geloofde, is misschien, bedoeld of onbedoeld, af te lezen uit de tekening. De toenmalig directeur van het Overijssels Museum heeft de vlierboom namelijk zodanig afgebeeld, dat je er alle kanten mee uit kan.

Ongeacht of de Sambucus nigra (gewone vlier) een plaats verdient in het wapen van Hellendoorn: het is zeker een door veel mensen en dieren gewaardeerde gebruiksboom.
In 1984 schreef ik voor het IVN een artikel over de gewone vlier. Ik vermeldde toen de gewone vlier eind juni in bloei stond.Bijna 40 jaar later zie je eind mei overal de vlierbloemen in grote schermen de bosjes en ander struikgewas opsieren. De gewone vlier is een graadmeter waaraan je kunt zien hoe het klimaat verandert.

Blad Sambucus nigra (gewone vlier) (Foto: Marinus Rouweler)

Bijzonderheden:

  • De gewone vlier is een struik of kleine boom. Hij is niet kieskeurig; voelt zich overal thuis, maar prefereert een verstoorde, voedselrijke, lichte plek. Er zijn meerdere soorten vlieren die op elkaar lijken; de gewone vlier onderscheidt zich van de anderen door het witte merg in de takken.
  • Sambucus is Grieks en betekent ‘fluit’. Van de vlier kun je fluitjes maken. Hoe je dat kunt doen, vind je hier. We hebben er het woord ‘flierefluiter’ aan te danken. Minder muzikale kinderen kunnen het holle takje ook gebruiken als proppenschieter. Nigra komt uit het latijn. Nigra is zwart en verwijst naar de zwarte bessen van de gewone vlier.
  • De bladeren bestaan uit vijf tot zeven getande deelblaadjes met kenmerkende geur die ontstaat wanneer je een blad fijnwrijft. Die geur is zo apart, dat je hem uit duizenden (nou ja) kunt herkennen.
Deelblaadjes Sambucus nigra (gewone vlier) (Foto: Marinus Rouweler)
  • De gewone vlier is nu (eind mei) getooid met grote roomwitte bloesemtuilen, waaraan je ze in de verte al kon herkennen. Dichtbij gekomen blijken die uit vele bloempjes te bestaan. Elk bloempje heeft 5 kelk- en kroonblaadjes, 5 meeldraden en een driedelige stamper. . Ook de bloesem van de Vlier is opvallend geurig. De bloempjes worden bestoven door insecten, in het bijzonder door zweefvliegen.
Bloemscherm Sambucus nigra (gewone vlier) (Foto: Marinus Rouweler)
  • Vanaf eind augustus zijn de bessen een gewilde voedselbron voor vogels. Vooral merels, lijsters en spreeuwen eten er graag van en zijn belangrijke zaadverspreiders.
  • Het is bekend, dat de gewone vlier vroeger werd beschouwd als de huisapotheek voor de gewone mensen. Vele kwalen en ziektes werden bestreden met “brouwsels” van vlierbloesem en vlierbessen. Ook nu worden zijn geneeskrachtige eigenschappen nog vaak aangewend.
Bloempjes Sambucus nigra (gewone vlier) (Foto: Marinus Rouweler)
  • Paddenstoelen hebben vaak betekenisvolle namen. Denk daarbij aan de aardappelbovist, eekhoorntjesbrood, geweizwammetje enz. Zo is er ook een paddenstoel, die de naam judasoor draagt. Een tamelijk zeldzame paddenstoel, die hoofdzakelijk te vinden is op oud hout van …… de vlier. Op plaatsen waar oude vlieren staan, moet je maar eens naar die paddenstoel zoeken. Hij heeft de vorm van een oor, is bruinrood van kleur en zacht behaard. Het schijnt dat Judas Iskariot zich, nadat hij Jezus verraden had, opgehangen had aan een vlier. Door het afbreken van een tak was hij daarbij een oor kwijtgeraakt. Sinds die tijd komt, als herinnering daaraan, op sommige oude vlieren het zogenaamde judasoor voor. Aangezien de gewone vlier echter niet inheems is in de Palestijnse regio, is dit verhaal waarschijnlijk niet waar. Het is echter een leuk anekdote; legenden rond bomen maken deze nog interessanter dan ze al vaak zijn.
Bloemknoppen Sambucus nigra (gewone vlier) (Foto: Marinus Rouweler)

Locatie: op de hoek van het Blokkenpark aan de NicolaasBeetsstraat naast nr. 15
Coördinaten: 52.356970, 6.467985

Bronnen:
Goudzwaard, Leo, ‘Loofbomen in Nederland en Vlaanderen, Zeist, KNNV Uitgeverij

Prunus serotina (Amerikaanse vogelkers) aan de Holterweg

Prunus serotina (Amerikaanse vogelkers) (Foto: Marinus Rouweler)

Vanaf midden mei is het de beurt aan de Amerikaanse vogelkers om kleur te geven aan de bosranden. Deze boomsoort ook wel bekend als ‘bospest’ is nog niet zo heel lang in Nederland. De Amerikaanse vogelkers komt van nature voor in het oosten van de Verenigde Staten. De boom werd rond 1630 naar Europa gebracht, maar pas begin 1900 beperkt toegepast in de Nederlandse tuinen en bossen. Rond 1930 werd de boom op de volgende manier aangeprezen door de befaamde houtvester Maurits. de Koning:

‘Bij uitstek geschikt. . .
„Nog een struikhout, dat op onze zandgronden belangrijke diensten bewijst is de uit Oost-Amerika ingevoerde Amerikaansche Vogelkers met zijn trossen witte bloemen. Tegen het najaar draagt hij donkerpurpere bessen, die bij den vogels zeer in trek zijn. Van aesthetisch standpunt gezien, Is deze struik voor ons bosch van groote waarde, en de geringe eischen, die hij aan den grond stelt, zijn snelle groei en zijn groot uitstoelingsvermogen maken hem bij uitstek geschikt voor den boschhouw. Als onderplanting in brandsingels en als windmantel ziet men hem overal’
.

De invoering van deze exoot liep echter lelijk uit de hand, ook op de Sallandse Heuvelrug. Vogels en zoogdieren zaaiden de kersen flink uit en al gauw dook de Prunus serotina overal op en verdrong hij alle andere struiken. Door uitbreiding van het heideareaal en structurele bestrijding van de Amerikaanse vogelkers heeft men de uitbreiding tot stilstand gebracht. Door nieuwe beheermethoden toe te passen is de boom niet meer zo dominant aanwezig als vroeger.

Bijzonderheden:

  • De Amerikaanse vogelkers werd tussen 1910 en 1950 aangeplant vanwege zijn vermeende bodemverbeterende eigenschappen. Het snel verterende blad zou bij moeten dragen aan een verbeterde humusvoorraad. De resultaten vielen tegen, want de bijbehorende schimmels en bodemdieren waren onvoldoende aanwezig. Daarnaast verwilderde de Amerikaanse vogelkers op grote schaal en koloniseerde overal braakliggende gronden en natuurgebieden.
  • De Prunus serotina heeft heel bijzondere eigenschappen. Hij geeft bijvoorbeeld de voorkeur aan vochtige grond, maar blijkt het ook op arme droge zandgronden wonderwel goed te doen. Hij is volledig vorstgevoelig en verdraagt schaduw. Daarnaast heeft hij bijna niet te kampen met ziekten en plagen.
    In zijn thuisland, het oosten van de Verenigde Staten, kan hij uitgroeien tot een 30 meter hoge boom met een forse omvang. Op de arme gronden in Nederland haalt hij die hoogte lang niet en is het vaak de struikvorm die je ziet.
  • De Amerikaanse vogelkers is een bladverliezende boom. De langgerekte bladeren zijn 5-12 cm groot en 2 tot 5 cm breed. Ze zijn van boven glanzend donkergroen. Ze hebben een gezaagde bladrand. Als je een blad kneust ruik je een amandelgeur.
    In de herfst verkleurt het blad van groen naar geel, voordat het afvalt.
Blad en bloemen Prunus serotina (Amerikaanse vogelkers) (Foto: Marinus Rouweler)
  • De witte bloemen laten vrij lang op zich wachten. (Het latijnse woord serotina betekent ‘laat uitlopend’). Zo ongeveer half mei verschijnen ze in trossen aan de twijgen. Elke tros telt 20 tot 60 bloempjes. Ze ruiken wat mij betreft niet echt lekker, maar daarover verschillen de meningen. Belangrijker is dat insecten, waaronder vlinders, zweefvliegen en bijen de talrijke bloempjes weten te vinden en voor de bestuiving zorgen.
Kleine vuurvlinder op Prunus serotina (Amerikaanse vogelkers) (Foto: Marinus Rouweler)
  • In de herfst levert een deel van de bloemen 4-8 mm grote kersen. Voordat ze rijp zijn verkleuren ze van groen, naar rood en vervolgens van donkerpaars naar zwart.
  • Vogels zoals houtduiven, gaaien, spreeuwen, merels en andere lijsterachtigen weten de kersjes inmiddels te waarderen. Via hun uitwerpselen wordt de Amerikaanse vogelkers verspreidt. De kersjes kiemen goed en na 4 jaar draagt de nieuwe struik zelf bessen.
  • De twijgen hebben kenmerkende grijze streepjes; de zogenaamde lenticellen. Dit zijn net als de huidmondjes in de bladeren, ademhalingsorganen van de boom. Als je de bast van het twijgje openkrabt, ruik je ook een sterke amandelgeur.
  • Jonge stammen en takken hebben een roodbruine gladde schors. Oudere stammen hebben een stam met schubben met gedraaide randen. Die dunne schubbige plakkaten schilferen na verloop van tijd af.
  • De Amerikaanse vogelkers heeft een penwortel. Die penwortel ontwikkelt een uitgebreid wortelstelsel dat in staat is om metersdiep in de bodem door te dringen op zoek naar water.. De struik/boom ontwikkelt zich tot een ware plaag, vooral ook omdat hij met zijn uitgebreide wortelstelsel het omringende gewas schade berokkent, doordat hij veel water en voedingszouten aan de grond onttrekt. Dat wortelstelsel zorgt er ook voor dat de struik na iedere snoeibeurt toch weer uitloopt. De nieuwe loten kunnen in één jaar twee à drie meter hoog worden. Dat is dan ook de reden dat bosbouwers waar nodig de struik met wortel en tak uitroeien en daarbij – tot niet zo lang geleden – niet schuwden ook agressief inwerkende chemicaliën (waaronder glyfosaat/ Roundup) te gebruiken.
  • Sinds de jaren vijftig van de vorige eeuw is ongeveer 250 miljoen euro uitgegeven voor het bestrijden van de Prunus serotina (Amerikaanse vogelkers). Het bleek een onbegonnen werk….. If you can’t beat them, join them. De afgelopen 10 jaar zijn allerlei beheerstrategiën ontwikkeld die afhankelijk van de begroeiingstypen kunnen worden ingezet.
  • Het grootste deel van de Sallandse Heuvelrug valt onder het begroeiingstype ‘open landschap’. Natuurlijke successie leidt onherroepelijk tot de vestiging van bomen, vooral van pioniersoorten als grove den, berk, vuilboom, en uiteraard ook Amerikaanse vogelkers. Begrazing kan dit proces vertragen, maar actief beheer is meestal nodig om het open karakter van deze landschappen te behouden. Gelukkig wordt het zaad van de Amerikaanse vogelkers niet door de wind verspreid, maar via vogels en zoogdieren. Vogelkerszaailingen vind je op de heide dan ook vaak bij dennetjes of berkjes die vogels als rustbomen gebruiken. Dee struik/boom is in het heidebeheer vooral lastig langs bosranden waarin zaadbomen voorkomen en daar waar het bos verwijderd is ten behoeve van heideontwikkeling. Hier zijn de kiemomstandigheden optimaal en is meestal nog zaad aanwezig.
Bloemtros Prunus serotina (Amerikaanse vogelkers) (Foto: Marinus Rouweler)

Locatie: aan de Holterweg, ter hoogte van het einde van het ‘Kattenbos’.
Coördinaten: 52.344141, 6.453667

Bronnen:
Goudzwaard, Leo, ‘Loofbomen in Nederland en Vlaanderen, Zeist, KNNV Uitgeverij
https://vogelkers.nl/
Koning de, Maurits, Van Bosschen en Boomen
Flora van Nederland.nl

De Alnus glutinosa (zwarte els) in het Blokkenpark

Als je een zwarte els wil bekijken moet je niet op de Sallandse Heuvelrug zijn. Zwarte elzen moet je zoeken in de bermen langs slootjes. Ik heb ze leren kennen in de windsingels rond de sportvelden in Groot Lochter. Ze gedijen alleen goed in een vochtminnend milieu.
In het Blokkenpark staan de bomen aan de verkeerde kan van het fietspad. De vijver ligt te ver weg. De groeiplaats voldoet niet aan de hoge eisen die de zwarte els aan de watervoorziening stelt. Dat is goed te zien. Van een els is alleen een kale stam over. De tweede lijdt een armetierig bestaan. Alleen nummer drie lijkt redelijk goed te groeien. De drie bomen zijn in 1967 geplant.

Alnus glutinosa (zwarte els) (Foto: Marinus Rouweler)

Bijzonderheden

  • De Alnus glutinosa (zwarte els) is een inheemse boom (tot ongeveer 30 m hoog). De naam Alnus betekent ‘door water gevoed’. Jonge takken zijn kleverig evenals de knoppen. Vandaar de naam glutinosa (glutinosa=kleverig).
  • Geen enkele andere inheemse loofboom heeft een stam die zich zo uitstrekt tot aan de punt van de kroon als de Alnus glutinosa.
  • Wanneer de boom gekapt wordt, verkleurt het het afgezaagde hout onder invloed van lucht van geelwit tot oranjeachtig-rood. Dat er in vroeger eeuwen een verband werd gelegd met bloed is heel begrijpelijk. Het is ook niet verwonderlijk dat de zwarte els allerlei duvelse eigenschappen werd toegedicht.
  • Alnus glutinosa heeft verschillende toepassingen in de bosbouw en de houtindustrie. Het oranje gekleurde hout is bestand tegen rot en wordt ook wel ‘Schotse mahonie’ genoemd. Elzenhout wordt onder water hard als steen. Het hout diende vroeger dan ook voor heipalen, funderingen, oeverbeschoeiingen en zinkstukken bij waterwerken. Tegenwoordig verwerkt men elzenhout tot triplex. Het hout maakt goede houtskool.
  • De schors van jonge bomen is glad en groenachtig tot roodbruin. Bij oudere bomen wordt de schors donkergrijs tot zwartbruin en ontwikkelt het een platte schors die is verdeeld in kleine, hoekige stukjes.
Schors Alnus glutinosa (zwarte els) (Foto: Marinus Rouweler)
  • De donkergroene bladeren ontvouwen zich pas na de bloei uit de karakteristiek gesteelde, violetbruine, lange knoppen. De omgekeerd eivormige groene blaadjes zijn 4 tot 10 cm groot. Aan de onderkant vind je in de oksels van de nerven witte tot bruine haartjes.
Blaadjes Alnus glutinosa (zwarte els) (Foto: Marinus Rouweler)
  • In eerste instantie zijn de blaadjes helemaal gaaf. Later in mei en juni zitten ze vol met kleine en grote gaten. De worden veroorzaakt door elzenhaantjes. Dit zijn blauwe glanzende kevertje met de wetenschappelijke naam Agelastica alni. De gaten die de elzenhaantjes maken in het blad worden ook wel ‘venstervraat’ genoemd. Na de kevers krijgt de zwarte els later nog een tweede en soms ook nog een derde vraataanval te verduren van respectievelijk de larven van het elzenhaantje en de volgende lichting kevers. Deze kevers verdwijnen al gauw in de strooisellaag om daar te overwinteren.
  • De boom is eenhuizig, je vindt aan een boom mannelijke én vrouwelijke bloemen. Deze bevinden zich aan het einde van de tak. De zwarte els is een van de vroegste inheemse boomsoorten die in de loop van het jaar bloeit. Soms al in februari. De vrouwelijke bloempjes zijn 1 à 2 cm lang en staan als kleine rode microfoons op een onbehaarde steel. De mannelijke stuifmeelkatjes hangen als lange ‘snottebellen’ naar beneden. De zwarte els is een windbloeier. Als de mannelijke bloemen bloeien is de lucht doortrokken van stuifmeeldeeltjes. Het is blijkbaar een zeer effectieve manier van bestuiven; iedere herfst groeien er weer talrijke groene kegelvormige vruchten aan de boom. Aan het begin van de winter verkleuren ze. De zaden uit bruinzwarte ‘elzenproppen’ zijn dan rijp en vallen uit de schubben naar beneden. Als de zaden daar tenminste de kans voor krijgen. Vogels zijn er namelijk ook gek op. Sijsjes en andere vinkachtigen pikken de zaadjes ook graag uit de schubben. De lege proppen blijven nog lang aan de boom hangen.
Elzenproppen Alnus glutinosa (zwarte els) (Foto: Marinus Rouweler)
  • De wortels van de zwarte els hebben knolletjes waarin stikstofbindende bacteriën leven. Hierdoor kan hij uitstekend op arme grond groeien, als deze vochtig is.
  • De wortels vormen samen een stevig netwerk dat de bodem bij elkaar houdt.

Locatie: In het Blokkenpark langs het fietspad ter hoogt van de vijver.
Coördinaten: 52.356378, 6.469517

Bronnen:
Goudzwaard, Leo, ‘Loofbomen in Nederland en Vlaanderen, Zeist, KNNV Uitgeverij
Godet, Jean-Denis, Bomen en struiken, Ede, Zomer en Keuning Boeken B.V.